Financieel Dagblad: Komend jaar zware dobber voor GGZ-instellingen

16 november 2009

Paul van den Broek en Renate Streng

In 2010 krijgen instellingen in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) te maken met een generieke tariefkorting van 3,5%, hoewel het gemiddelde rendement van deze instellingen in 2008 daalde tot slechts 0,3%. Verder blijken er relatief weinig financiële reserves te zijn. Eind 2008 lag bij 93% van de GGZ-instellingen de solvabiliteitsratio nog onder de (marktconforme) 25%. Bij 16% lag de solvabiliteit zelfs onder de door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WfZ) oorspronkelijke gehanteerde vermogenseis van 8%.

Sinds 2008 hebben GGZ-instellingen als gevolg van de overheveling van de geneeskundige GGZ naar de Zorgverzekeringswet en de hiermee samenhangende invoering van de Diagnose Behandel Combinatie (DBC)-financiering te maken met grote veranderingen.

Door de gewijzigde financieringssystematiek wordt een instelling pas betaald door de zorgverzekeraar als de DBC is afgesloten. De gemiddelde doorlooptijd van een DBC in de GGZ is 8 maanden. Het gevolg is dat instellingen een groot deel van de kosten moeten voorfinancieren. In 2008 was het (niet door zorgverzekeraars voorgeschoten) onderhandenwerk 16% van de totale opbrengsten.

Mede hierdoor zijn de kortlopende schulden explosief gestegen met 120%. Gemiddeld werd in 2008 65% van de totale opbrengsten van de GGZ-instellingen gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Het grootste deel van de GGZ wordt daarom door zorgverzekeraars ingekocht en niet meer vanuit de zorgkantoren (AWBZ).

Dit vergt een andere opstelling van GGZ-instellingen. Vooral wanneer vanaf 2010 zorgverzekeraars (gedeeltelijk) het risicodragerschap over de geneeskundige GGZ-kosten van volwassen verzekerden zullen dragen. Wij verwachten dat zij meer sturen op transparantie van uitkomsten, om vervolgens prestatiebeloning in te kunnen voeren.

Gevolg van deze ontwikkelingen is, dat relatief kleine GGZ-instellingen (omzet kleiner dan euro 40 mln) zullen moeten kiezen voor een specifieke doelgroep met een daarbij passend business model om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Grotere GGZ-instellingen kunnen kiezen om met verschillende zorgbedrijven binnen het concern voor specifieke doelgroepen te werken.

Een adequate uitvoering van generalistische, specialistische en multicomplexe GGZ vraagt om verschillende business modellen. Onderscheidende factoren bij generalistische GGZ met voornamelijk kortdurende behandelingen zijn vooral prijs en de laagdrempeligheid. De specialistische GGZ voor ernstigere psychische problemen leent zich voor een business model waarin de GGZ-instelling zich onderscheidt op kwaliteit en service. Multicomplexe GGZ vraagt om een business model waarin maatwerk wordt geleverd en waarbij productinnovaties leiden tot nieuwe en verbeterde behandelingen. Dit laatste model vereist specialisatie op een terrein waaraan de GGZ-instelling herkend wil worden. Kortom, uitdagingen te over voor GGZ-instellingen.

Paul van den Broek en Renate Streng zijn organisatieadviseur bij BS Health Consultancy